Een route is het plan voor de weg over het water van vertrek naar bestemming. Een traject is één deel daarvan. Kies eerst een bestemming die past bij de boot, bemanning en omstandigheden. Werk daarna de afzonderlijke stukken uit.
In 1.2 Een tocht plannen bekijk je de hele vaardag. Hier werk je het kaartgedeelte uit. Controleer ook actuele stremmingen en de bedientijden van bruggen en sluizen. Bij een brug moet niet alleen de diepte, maar ook de doorvaarthoogte passen bij je jacht en de waterstand.
Voorbereiden
Maak korte, veilige trajecten
Controleer je route met 7.2 Vaarwegmarkering en de toepasselijke vaarregels. Voor wind, zicht en waarschuwingen gebruik je 7.3 Weer beoordelen.
Leg vóór vertrek de kaart open en wijs je vertrekplek en bestemming aan. Deel de route op in rechte stukken met een duidelijk begin- en eindpunt. Zo hoef je onderweg steeds maar één stuk te bewaken. Een bocht in de vaargeul of de aanloop naar een haven is een logische plek om een nieuw traject te beginnen.
- Kies een punt dat je onderweg kunt controleren. Bijvoorbeeld een plek in de geul ter hoogte van een herkenbaar havenhoofd. Een routepunt, ook waypoint genoemd, is de gekozen plek waar je naartoe vaart of van koers verandert. Zet het in bevaarbaar water, met ruimte tot boeien en obstakels.
- Bekijk de hele strook water waar je zult varen. Kijk langs én naast de lijn naar dieptes, ondieptes, kabels, verboden gebieden en verkeer. Houd ruimte om af te wijken. Een rechte lijn tussen twee diepe punten kan over een zandbank lopen.
- Controleer of het traject uitvoerbaar is. Kun je het met de verwachte wind bezeilen? Moet je kruisen, dan moeten ook de slagen en overstagplekken binnen bevaarbaar water passen. Controleer bruggen, waterstand en weersverwachting vóór vertrek.
- Kies waar je kunt uitwijken. Wijs een bruikbare haven of beschutte plek aan als wind, zicht of bemanning tegenvalt. Controleer ook de route daarheen.
In dit hoofdstuk leer je de kaart lezen en zo'n traject uitwerken. Leg een potlood, gum, koersplotter en kaartpasser klaar. De koersplotter is een doorzichtige liniaal met een draaibare kompasroos; de kaartpasser heeft twee punten waarmee je een afstand van de kaart overneemt.
Maak je plan controleerbaar
Noteer per traject het begin- en eindpunt, aandachtspunten en een uitwijkmogelijkheid. Voeg na paragraaf 6.4 de koers toe en na paragraaf 6.5 de afstand en verwachte tijd. Spreek vooraf af wanneer je het plan opnieuw beoordeelt, bijvoorbeeld bij een weersverandering of vertraging.
Oefenvoorbeeld: de lijn van haven A naar haven C kruist een ondiepte. Via B kan de route langer zijn, maar beter passen bij de beschikbare diepte. Controleer allebei de trajecten én de ruimte voor een eventuele overstagmanoeuvre.
Bronnen en verdere uitleg:
NOAA · het raster en de inhoud van een waterkaart NOAA · kaartschaal en detail NOAA · dieptecijfers en dieptelijnen NOAA · horizontale en verticale referentievlakken U.S. Navy · kruispeilingen, hoofdstuk 8 (historisch handboek, geometrische methode) RYA · posities verifiëren en de omgeving blijven volgen Blundell Harling · een koers meten met de Portlandplotter Weems & Plath · handleiding koersplotter en afstand meten NOAA · zeemijl en knoop RYA · koers, variatie en deviatie Rijkswaterstaat · voorbereid varenLesopbouw herzien en bronnen geraadpleegd op 8 september 2026. De eigen oefenkaart en plotter zijn schematisch. Alle posities, kustvormen en rekenwaarden zijn verzonnen; de interactieve kaarttafel meet ware richtingen en afstanden en berekent geen stroom- of driftcorrectie. De afzonderlijke stroomdriehoek is een uitgewerkt rekenvoorbeeld. Gebruik aan boord een actuele kaart en de handleiding van je eigen plotter.