Hoofdstuk 6 · Navigeren

6.4 Waar wil ik naartoe?

Werk je volgende routepunt uit: meet de koers en houd rekening met stroom, winddrift en je kompas.

Kies vanuit je gecontroleerde positie het volgende routepunt. Dat is vaak een punt onderweg, niet meteen de eindhaven. Je bepaalt de richting en controleert of het water ertussen bevaarbaar is.

Een koers is een richting, uitgedrukt in graden. Begin met de koers op de kaart. Bij stroom en winddrift kan de boeg een andere kant op moeten wijzen om over die lijn te varen. In de verdieping reken en teken je dat uit; in paragraaf 6.7 oefen je zelf met de kaarttafel.

De richting van je traject

Meet een koers op de kaart

Je weet nu waar je bent. Noem je vertrekpunt A en het volgende routepunt B. De hoek van de lijn A → B ten opzichte van het ware noorden is de gewenste koers over de grond: de richting waarin je over de kaart wilt opschuiven.

  1. Verbind vertrekpunt A en volgend punt B. Controleer het water langs de hele lijn en teken dun met potlood. Zet een pijltje van A naar B, zodat duidelijk is welke kant je op wilt.
  2. Leg een lange rand van de plotter langs de lijn. Laat de koerspijl op de liniaal van A naar B wijzen. De rand moet door beide punten lopen; alleen de plotter ongeveer naar B richten is niet genoeg.
  3. Houd de liniaal stil en draai alleen de kompasroos. Leg de noord–zuidlijnen op de roos evenwijdig aan een meridiaan op de kaart. Controleer óók dat de N-pijl naar kaartnoord wijst; evenwijdig met de pijl naar het zuiden is 180° verkeerd.
  4. Lees bij de vaste koersindex op de liniaal. Gebruik de schaal voor de ware koers. Noteer bijvoorbeeld 053° waar bij je lijn. De plaats van de index verschilt per plotter; in de oefening staat er “lees hier”.

Meet je B naar A, dan is de richting 180° anders: bij 053° hoort 233° terug. Een verplaatste liniaal behoudt zijn richting; na draaien van de hele plotter moet je de kompasroos opnieuw naar kaartnoord richten.

Verdieping: van routelijn naar boegrichting

Houd rekening met stroom en het stuurkompas

De lijn op je kaart vertelt waar je over de grond naartoe wilt. De boeg wijst in je stuurkoers. Die twee richtingen kunnen verschillen: wind kan je zijwaarts laten wegdrijven en stroom verplaatst de boot samen met het water. Eerst bepaal je een passende ware stuurkoers; daarna reken je die om voor het magnetische stuurkompas.

Stroom: teken wat er in hetzelfde uur gebeurt

Een stroompijl wijst waar het water naartoe beweegt. Dat is anders dan een windrichting, die aangeeft waar de wind vandaan komt. Zoek de verwachte stroomrichting en -snelheid voor de plaats en vaartijd in de stroominformatie van je vaargebied. Onderstaand voorbeeld gebruikt een uur lang dezelfde stroom en bootsnelheid, zonder winddrift.

Oefensituatie: je wilt precies naar het noorden, 000° waar. De boot loopt 4 knopen door het water. De stroom loopt met 1 knoop naar het oosten. Je moet dus iets westelijk van noord sturen om de oostwaartse verplaatsing op te vangen.

  1. Teken vanaf vertrek O de gewenste noordelijke routelijn. Gebruik de plotter met de N-pijl naar kaartnoord. Verleng de lijn voldoende voor een uur varen.
  2. Teken vanaf O de stroom voor één uur. Meet met de plotter 090° waar en zet met de passer 1 zeemijl naar het oosten af. Noem het uiteinde S.
  3. Neem de afstand door het water in datzelfde uur. Bij 4 knopen is dat 4 zeemijl. Neem die opening van de breedteschaal. Zet één passerpunt op S en zoek met het andere punt het snijpunt met de noordelijke routelijn. Noem dat T.
  4. Meet de richting S → T. Die is afgerond 346° waar: de benodigde richting door het water. Zonder winddrift is dat ook je ware stuurkoers. Meet O → T voor de voortgang over de grond: ongeveer 3,87 zeemijl in één uur, dus 3,87 knopen.
Een uur stroom: O naar S is 1 zeemijl oost. S naar T is 4 zeemijl op 346 graden. Samen kom je 3,87 zeemijl noord van O uit.
De pijlen sluiten op elkaar aan. S is een hulpconstructie op de kaart; je vaart niet eerst van O naar S. Stroming en varen door het water gebeuren tegelijk.

Verandert de stroom tijdens je tocht, reken dan per korter tijdvak met bijpassende afstanden: een halfuur met 1 knoop stroom is 0,5 zeemijl stroomverplaatsing. Raakt de passer de gewenste routelijn niet, dan is die route met de gekozen snelheid en stroom niet haalbaar in deze constructie.

Winddrift: de boot kan ook door het water scheef opschuiven

Winddrift is de zijwaartse verplaatsing van de boot naar lij, de kant waar de wind naartoe waait. Daardoor is de richting door het water niet altijd de boegrichting. Voorbeeld: is 346° de benodigde richting door het water en weet je uit waarnemingen onder vergelijkbare omstandigheden dat de boot 5° naar rechts wegzet, dan stuur je 341° waar. Die 5° is een oefenwaarde; de werkelijke drift hangt onder meer af van boot, zeilstand en wind.

Controleer het resultaat met opeenvolgende posities op de kaart. Alleen het verschil tussen GPS-koers en boegrichting vertelt niet hoeveel winddrift je hebt: stroom kan dat verschil óók veroorzaken. Gebruik bij onzekerheid extra ruimte en pas je plan aan, in plaats van een onbekende correctie als exact getal te behandelen.

Van ware stuurkoers naar kompaskoers

Variatie is het verschil tussen het ware en het magnetische noorden. Lees de waarde en het jaar in de kaartroos; werk haar bij met de vermelde jaarlijkse verandering. Deviatie is de afwijking van je kompas door de boot en uitrusting. Zoek die op in de deviatietabel die bij dit kompas en de betreffende koers hoort. Leg telefoon, luidspreker en andere magnetische spullen niet naast het kompas.

Voorbeeld A → B zonder stroom of drift · fictieve kompasafwijkingen
Stap Berekening
Ware stuurkoers 053°
Variatie 2° oost 053° − 2° = 051° magnetisch
Deviatie 1° west 051° + 1° = 052° op het stuurkompas

Van waar naar kompas: oost aftrekken, west optellen. Voor een gemeten kompaspeiling terug naar de kaart draai je de bewerking om: oost optellen, west aftrekken. Zo wordt 052° kompas met 1° westdeviatie en 2° oostvariatie weer 052° − 1° + 2° = 053° waar. Gebruik bij een handpeilkompas de afwijking van dát instrument op de meetplek; neem niet zomaar de tabel van het vaste stuurkompas over.

Van plan naar uitvoering

Nu je de kompascorrecties kent, kun je de verdieping een positie bepalen met kruispeilingen oefenen. Ga voor de basisleesroute hieronder verder met reisduur.

Kun je aan de stuurder uitleggen naar welk punt je vaart, welke koers daarbij hoort en hoe je onderweg controleert of het klopt? Voor de afstand en verwachte aankomst ga je hierna verder met 6.5 Hoelang duurt mijn reis?

Bronnen en verdere uitleg:

NOAA · het raster en de inhoud van een waterkaart NOAA · kaartschaal en detail NOAA · dieptecijfers en dieptelijnen NOAA · horizontale en verticale referentievlakken U.S. Navy · kruispeilingen, hoofdstuk 8 (historisch handboek, geometrische methode) RYA · posities verifiëren en de omgeving blijven volgen Blundell Harling · een koers meten met de Portlandplotter Weems & Plath · handleiding koersplotter en afstand meten NOAA · zeemijl en knoop RYA · koers, variatie en deviatie Rijkswaterstaat · voorbereid varen

Lesopbouw herzien en bronnen geraadpleegd op 8 september 2026. De eigen oefenkaart en plotter zijn schematisch. Alle posities, kustvormen en rekenwaarden zijn verzonnen; de interactieve kaarttafel meet ware richtingen en afstanden en berekent geen stroom- of driftcorrectie. De afzonderlijke stroomdriehoek is een uitgewerkt rekenvoorbeeld. Gebruik aan boord een actuele kaart en de handleiding van je eigen plotter.