Welke uitrusting hoort erbij?
Herken landvasten, springen, stootwillijnen, het anker en de bijbehorende lijn of ketting. Leer waar deze onderdelen voor bedoeld zijn en hoe ze aan de boot zijn verbonden. De manoeuvres oefen je in 5.2 Afmeren en 5.4 Ankeren.
Voorlijn en achterlijn / landvasten
Aansluiting en loop. Van sterke kikkers op voor- of achterschip naar walbolder of steigerkikker.
Werking en effect. Houden de boot bij de ligplaats. De richting bepaalt welke verplaatsing ze begrenzen; spanning moet waterstandsverandering toelaten.
Aan boord. Niet vastmaken aan een willekeurige railing. Controleer schavielen en houd de lijn uit de schroef.
Voorspring en achterspring
Aansluiting en loop. Voorspring: voorschip naar achteren langs de steiger. Achterspring: achterschip naar voren langs de steiger.
Werking en effect. De voorspring begrenst vooruitbewegen, de achterspring achteruitbewegen. Ze werken samen met voor- en achterlijn.
Aan boord. Vang geen grote resterende vaart met een plotseling strak getrokken spring op.
Anker
Aansluiting en werking. Aan het oog van de ankerschacht zit de ketting of ankerlijn, met een daarvoor geschikte, geborgde verbinding. Het anker houdt doordat het zich in de bodem ingraaft; het gewicht alleen houdt de boot niet op zijn plaats.
Gangbare typen op kajuitzeiljachten. Herken hieronder de hoofdvormen. De tekeningen zijn vereenvoudigd; controleer het exacte model en de voorgeschreven maat aan boord.
Plaatanker · Danforth / Fortress
Twee brede vloeien en een dwarsstok. Bruikbaar in zand en modder; minder geschikt voor dichte begroeiing en rots. Plat op te bergen.
Ploeganker · CQR / Delta
Een ploegvormige punt. Veel gebruikt als hoofdanker op de boegrol; geschikt voor uiteenlopende bodems. CQR heeft een scharnierende schacht, Delta een vaste.
Klauwanker · Bruce-type
Een gebogen klauw met meerdere lobben. Zet vaak gemakkelijk in zand en modder; harde klei of dicht wier kan het ingraven hinderen.
Lepelanker · bijvoorbeeld Rocna / Spade
Een hol, lepelvormig blad. Moderne hoofdankers voor onder meer zand en modder. Sommige hebben een rolbeugel, zoals het getekende voorbeeld; andere niet.
Voor de volledige handeling: 5.4 Ankeren. Typen en bodemgebruik: West Marine · ankertypen.
Ankerlijn / ankerketting
Aansluiting en loop. Van het anker, eventueel via kettingvoorloop, langs boegrol of kluis naar daarvoor bestemd sterk beslag; het binnenste einde is geborgd.
Werking en effect. Ketting en lijn verbinden het anker met de boot en brengen de trekkracht over op het daarvoor bedoelde beslag.
Bijbehorende componenten. De boegrol geleidt de lijn of ketting; de ankerlier helpt bij het ophalen. Een snubber of kettingontlaster verbindt de ketting met sterk beslag en kan schokken verminderen.
Voor het kiezen van de lengte, uitbrengen en controleren, lees hoofdstuk 5: 5.4 Ankeren.
Stootwillijn / fenderlijn
Aansluiting en loop. Van het oog van de stootwil naar een geschikt bevestigingspunt aan boord.
Werking en effect. Regelt de hoogte van de stootwil zodat die tussen romp en steiger zit waar contact verwacht wordt.
Aan boord. Niet gebruiken als landvast of handgreep. Controleer hoogte opnieuw bij een andere steiger.
De schema’s zijn vereenvoudigde illustraties. Bronnen en toelichting bij dit hoofdstuk.