Hoofdstuk 5 · Beheerst manoeuvreren

5.2 Afmeren

Een boot afmeren aan een steiger: wind, stroming, trossen en springen

Bij het afmeren van een zeiljacht aan een steiger zijn er verschillende situaties. Het belangrijkste is dat je begrijpt wat de wind en stroming met je boot willen doen, welke lijn die beweging tegenhoudt en hoe je de motor kunt gebruiken om de boot gecontroleerd te draaien.

Ik behandel dit voor een kajuitzeiljacht met één schroef, waarbij je langszij een steiger afmeert.

1. Eerst de vier landvasten en hun werking

STEIGER Achtertros Voorspring Achterspring Voortros ACHTERSCHIP BOEG →
Landvast Loopt vanaf de boot Voorkomt
Voortros Boeg schuin naar voren Achteruit bewegen
Achtertros Achterschip schuin naar achteren Vooruit bewegen
Voorspring Voorschip schuin naar achteren Vooruit bewegen
Achterspring Achterschip schuin naar voren Achteruit bewegen

Een lijn trekt alleen wanneer hij onder spanning staat. Hij kan de boot dus tegenhouden in één richting, maar niet duwen.

Dat betekent ook dat de plek waar je een lijn vastmaakt belangrijk is. Als een lijn strak komt te staan terwijl wind, stroming of de motor de rest van de boot nog verplaatsen, ontstaat een draaiende beweging rond het vastgehouden deel van de boot.

Dit principe gebruik je bij zowel aanleggen als vertrekken.

2. De belangrijkste wind- en stromingssituaties

Er zijn drie basisrichtingen voor de wind: van de steiger af, naar de steiger toe of evenwijdig aan de steiger. Daarnaast kan wind of stroming van voren of van achteren op de boot inwerken.

Situatie Wat gebeurt er? Belangrijkste aanpak
Hogerwal – wind van de steiger af Boot wordt van de steiger weggeblazen Met een lijn en eventueel de motor de boot naar de steiger brengen
Lagerwal – wind naar de steiger toe Boot wordt tegen de steiger gedrukt Evenwijdig aankomen en de wind het laatste stuk laten doen
Langswal, wind van voren Boot wil achteruit Eerst voortros of achterspring
Langswal, wind van achteren Boot wil vooruit Eerst achtertros of voorspring
Stroming van voren Boot wil achteruit ten opzichte van de steiger Tegen de stroom in naderen; achterwaartse beweging opvangen
Stroming van achteren Boot wil vooruit ten opzichte van de steiger Bij voorkeur tegen de stroom in aanvaren; voorwaartse beweging opvangen

In de praktijk treden deze situaties vaak gecombineerd op. Je kunt bijvoorbeeld wind vanaf het water op de steiger hebben, terwijl de stroming langs de steiger loopt.

3. Zes situaties bij het aanleggen

STEIGER WIND VAN WAL AF

Situatie A — Hogerwal: de wind blaast je van de steiger af

De boot wil wegdrijven. Breng de boeg gecontroleerd dicht bij de steiger en zet een voorspring vast. Geef voorzichtig gas vooruit en stuur van de steiger af. Het achterschip kan daardoor naar de steiger draaien. Daarna zet je de overige lijnen vast.

Gewenst effect: de voorspring houdt het voorschip vast, terwijl je met de motor het achterschip naar binnen brengt.

STEIGER WIND NAAR WAL

Situatie B — Lagerwal: de wind blaast je tegen de steiger

Nader vrijwel evenwijdig met weinig snelheid. Breng de boot naast de aanlegplaats tot stilstand en laat de wind hem het laatste stukje naar de steiger verplaatsen.

Maak de lijnen vast die de boot tegen de wind in op zijn plek houden. Komt de wind ook schuin van voren, dan is een achterspring bruikbaar; komt hij schuin van achteren, dan een voorspring.

Gewenst effect: de boot blijft in de juiste positie en komt rustig tegen de stootwillen.

Situatie C — Langswal: wind van voren

De wind remt je tijdens het naderen, maar probeert de boot vervolgens achteruit te verplaatsen. Maak bij voorkeur eerst een voortros vast. Een achterspring kan eveneens de achterwaartse beweging tegenhouden.

Gewenst effect: je voorkomt dat de boot naar achteren wegdrijft. De nog vrije achtersteven moet vervolgens gecontroleerd worden vastgelegd.

Situatie D — Langswal: wind van achteren

Dit is lastiger omdat de wind je boot voortduwt. Bij voorkeur draai je de boot en nader je tegen de wind in.

Als dat niet kan, leg je eerst het achterschip naast de steiger en zet je een achtertros vast. Een voorspring kan eveneens de voorwaartse beweging tegenhouden.

Gewenst effect: de boot wordt tegengehouden voordat hij voorbij de ligplaats schiet.

Situatie E — Stroming van voren

Je nadert tegen de stroming in. Hierdoor kun je met de motor controle houden, zelfs wanneer je ten opzichte van de steiger nauwelijks beweegt.

Maak een voortros of achterspring vast om te voorkomen dat de stroming je achteruit zet.

Gewenst effect: de stroming wordt opgevangen door de lijn, terwijl je het schip gecontroleerd langszij houdt.

Situatie F — Stroming van achteren

De stroming vergroot je snelheid ten opzichte van de steiger. De voorkeursmanoeuvre is daarom om te keren en tegen de stroom in aan te leggen.

Is dat onmogelijk, dan kun je voorzichtig eerst de achtertros of voorspring aanbrengen om de voorwaartse beweging te stoppen.

Gewenst effect: voorkomen dat je verder naar voren wordt meegesleurd.

Deze aanpak sluit aan bij de manoeuvreerprincipes voor het Klein Vaarbewijs.

4. Wat gebeurt er als er al één lijn vastzit?

Dit is misschien het belangrijkste onderdeel om te begrijpen.

Alleen deze lijn zit vast Effect zodra hij strak staat
Voortros Houdt de boeg tegen wanneer de boot achteruit wil. Het achterschip kan nog draaien of wegdrijven.
Achtertros Houdt het achterschip tegen wanneer de boot vooruit wil. De boeg kan nog draaien.
Voorspring Houdt de voorwaartse beweging tegen bij het voorschip. Met motor vooruit en roeruitslag kun je de achtersteven naar of van de steiger draaien.
Achterspring Houdt de achterwaartse beweging tegen bij het achterschip. Met motor achteruit kun je de boeg van de steiger laten draaien.

Voorbeeld 1 — De voorspring zit vast en je geeft gas vooruit

STEIGER BOEG Achterschip draait Voorspring
Principeschets van de voorspring als vast punt; de exacte draaihoek is afhankelijk van roer, wind en schroefwerking.
  • Met de voorspring strak en de motor voorzichtig vooruit ontstaat een draaipunt bij het voorschip.
  • Roer naar de steiger: het achterschip wordt doorgaans van de steiger weggedrukt.
  • Roer van de steiger af: het achterschip wordt doorgaans naar de steiger gebracht.

Dit is bruikbaar bij zowel afvaren als het laatste gedeelte van het aanleggen.

Voorbeeld 2 — De achterspring zit vast en je geeft gas achteruit

  • De achterspring voorkomt dat het achterschip verder achteruit beweegt.
  • Door voorzichtig achteruit te slaan, ontstaat een draaikracht rond het achterschip.
  • De boeg kan hierdoor van de steiger wegdraaien.
  • Zodra de boeg voldoende vrij is, zet je de motor neutraal, maak je de spring los en vaar je vooruit weg.

Deze techniek wordt vaak gebruikt om te vertrekken wanneer er voldoende ruimte vóór de boot is.

5. Wat als wind en stroming tegelijkertijd aanwezig zijn?

Dan moet je onderscheid maken tussen twee krachten.

De wind grijpt vooral aan op de romp boven water, de opbouw en de mast. Daardoor kan bijvoorbeeld het voorschip sterk naar één kant worden gedrukt.

De stroming werkt op het onderwaterschip, waaronder de kiel en het roer. Hierdoor kan de boot ook draaien wanneer hij al met één tros vastligt.

Bij een combinatie van beide kan bijvoorbeeld de voortros strak komen te staan, terwijl het achterschip door zijwind van de steiger wegdraait. De voortros houdt dan de boot wel tegen in de lengterichting, maar niet noodzakelijk in de gewenste positie naast de steiger.

Bij sterke stroming is het doorgaans verstandig om tegen de stroom in aan te varen. Als wind en stroom elkaar tegenwerken, hangt de beste aanpak af van welke kracht de beweging van het schip domineert.

6. Praktisch overzicht om te onthouden

Je wilt bereiken dat... Gebruik
De boot niet achteruit kan drijven Voortros of achterspring
De boot niet vooruit kan drijven Achtertros of voorspring
Het achterschip van de steiger wegdraait Voorspring, motor vooruit, roer naar de steiger
Het achterschip naar de steiger draait Voorspring, motor vooruit, roer van de steiger af
Het voorschip van de steiger wegdraait Achterspring en voorzichtig achteruit
De wind de boot rustig tegen de steiger brengt Lagerwal, evenwijdig naderen en afremmen
De boot beheerst tegen stroming aanlegt Tegen de stroming in naderen

Belangrijke beperking: deze manoeuvres zijn geen absolute garanties. Het wieleffect van de schroef, de roerwerking, de windkracht, de stroming en de positie en lengte van de lijn beïnvloeden de uitkomst. Gebruik bij manoeuvreren op een spring extra stootwillen bij het draaipunt, slechts weinig motorvermogen en houd mensen uit de ruimte tussen boot en steiger.

De kern is: een tros beperkt vooral een beweging; een spring kun je daarnaast bewust gebruiken om, in combinatie met de motor, de boot te laten draaien.