Vaak aanwezig
Deze lijnen hangen af van de uitrusting: bijvoorbeeld een rolfok, bindrif, rolmast, overloop of lazyjacks. Zoek eerst uit welk systeem jouw boot heeft.
Schootwagens en hun bediening
Grootschootwagen / traveller
Plaats en aansluiting. De grootschootwagen rijdt over een rail, meestal dwars op de boot. Het onderste grootschootblok zit aan deze wagen. De rail met wagen wordt de overloop of traveller genoemd. De wagen helpt de stand van het grootzeil te regelen.
Werking en effect. Door de wagen te verplaatsen verander je het aangrijpingspunt van de grootschoot. Naar lij laat je de giek verder naar buiten komen; naar loef breng je hem meer naar het midden. Zo kun je de zeilhoek aanpassen terwijl de achterlijkspanning minder verandert dan bij het vieren of aanhalen van de grootschoot.
Aan boord. Wil je aan de wind tijdelijk minder zeildruk en helling, laat de wagen dan beheerst een stukje naar lij gaan. Houd de schootstand daarbij eerst gelijk en kijk naar de reactie van de boot. Bedien de wagen met de overlooplijnen hieronder; houd handen weg van de belaste wagen en rail.
Overlooplijnen · traveller control lines
Aansluiting en loop. Aan weerszijden van de grootschootwagen, via eindblokken naar klemmen.
Werking en effect. Verplaatsen de wagen dwars op de boot. Wagen naar lij brengt de giek verder naar buiten, met minder verandering van schootlengte dan grootschoot vieren.
Aan boord. Niet ieder jacht heeft een overloop. Gebruik geen vingers om een belaste wagen te verplaatsen.
Fokkenschootwagen / genuawagen
Plaats en aansluiting. Dit is een verplaatsbare wagen met een geleideblok op een rail langs het dek. De fokkenschoot loopt vanaf de schoothoek door dit blok naar de lier. De wagen bepaalt mede de richting waarin de fokkenschoot trekt en is daarmee een belangrijk onderdeel van de voorzeiltrim.
Werking en effect. Bij een gewone langsrail trekt een verder naar voren geplaatste wagen de schoothoek relatief meer omlaag: het bovenste achterlijk sluit doorgaans meer. Verder naar achteren trekt de fokkenschoot meer naar achteren en opent het bovenste achterlijk. Controleer het effect met het zeil vol en de fokkenschoot opnieuw afgesteld.
Aan boord. Verstel in kleine stappen. Heeft de wagen een borgpen, ontlast de fokkenschoot dan eerst en controleer na het verplaatsen of de pen volledig vastzit. Verplaatsen onder belasting kan alleen met een daarvoor ontworpen lijnbediening, zoals hieronder beschreven.
Fokkenwagenlijnen · jib-car control lines
Aansluiting en loop. Van een verstelbare fokkenschootwagen via rail- of dekblokken naar de bediening. Een eenvoudige wagen kan in plaats daarvan alleen een borgpen hebben.
Werking en effect. Wagen naar voren geeft bij gewone langsrails meer neerwaartse trek op de schoothoek en sluit doorgaans het bovenste achterlijk. Naar achteren opent het bovenste deel meer.
Aan boord. Met een borgpen eerst de fokkenschoot veilig ontlasten. Verstellen onder belasting kan alleen met een daarvoor ontworpen systeem.
Zeilvorm en spanning
Cunningham / voorlijkstrekker
Aansluiting en loop. Door of aan een versterkt oog in het voorlijk, net boven de halshoek; via een takel naar mastvoet of daarvoor bestemd beslag.
Werking en effect. Trekt het voorlijk omlaag zonder de grootzeilval te hoeven vieren. Meer spanning helpt de bolling naar voren te brengen en voorlijkrimpels te verminderen; minder spanning laat het voorlijk losser.
Aan boord. Het oog boven de halshoek is niet automatisch een rifpunt. Gebruik het daarvoor bedoelde oog en de grenzen van de zeilmaker.
Achterlijklijntje · leech line
Aansluiting en loop. Een dun lijntje in de zoom van het achterlijk, met een klein klemmetje bij de schoothoek of reefpunten; kan in grootzeil én fok zitten.
Werking en effect. Net aanhalen kan trillend of klapperend achterlijk tot rust brengen. Te veel spanning trekt het achterlijk naar binnen tot een haak.
Aan boord. Gebruik dit niet om een slecht getrimd heel zeil stil te trekken. Controleer eerst de zeilvorm en de grootschoot bij het grootzeil of de fokkenschoot bij de fok.
Onderlijklijntje · foot line (indien aanwezig)
Aansluiting en loop. Een dun lijntje in de onderste zoom van het zeil, doorgaans met een klein klemmetje.
Werking en effect. Neemt alleen plaatselijk fladderen van de rand weg. Het is niet de onderlijkstrekker die de schoothoek naar achteren trekt.
Aan boord. Haal zo weinig mogelijk aan. Maak een te strak ingetrokken zoom weer los.
Achterstagspanner · backstay control
Aansluiting en loop. Een lijnentakel, mechanische spanner of hydrauliek onder aan de achterstag naar passend hekbeslag.
Werking en effect. Verandert stagspanning en, afhankelijk van het tuig, mastbuiging en voorstagdoorhang. Dat kan grootzeil en fok vlakker of voller laten staan.
Aan boord. Geen algemene trekstand gebruiken. De achterstag hoort bij de mastondersteuning; volg de tuigafstelling en ontspan nooit willekeurig volledig.
Reven en rollen
Reeflijn / smeerreep · reefing line
Aansluiting en loop. Bij een gangbaar bindrif vanaf een passend punt aan de giek door het versterkte achterste rifoog, terug naar het giekeinde en door de giek naar de bediening. Een ander systeem kan anders lopen.
Werking en effect. Trekt het nieuwe achterste rifpunt omlaag en naar achteren. Samen met een vastgezette nieuwe halshoek ontstaat een kleiner grootzeil.
Aan boord. Volg de tekening van het eigen reefsysteem. De plaats waar de lijn aan de giek vastzit bepaalt mede de trekrichting.
Voorste reeflijn / halshoek-reeflijn (systeemafhankelijk)
Aansluiting en loop. Van het voorste rifoog naar beslag of blokken bij de mast en de bediening. Sommige jachten gebruiken hier een rifhaak in plaats van een lijn.
Werking en effect. Zet de nieuwe halshoek van het gereefde zeil vast en neemt de belasting bij het voorlijk op.
Aan boord. Bij een éénlijnsrif bedient één lijn voor- en achterrifpunt via extra blokken. Kopieer niet de loop van een tweelijnssysteem.
Reefknuttels / rifbandjes
Aansluiting en loop. Korte bandjes of lijntjes door kleine ogen tussen de twee versterkte rifhoeken.
Werking en effect. Houden het overtollige doek bijeen. Ze dragen niet de krachten van het gereefde zeil.
Aan boord. Maak ze los vóór het rif eruit gaat. Bind niet strak om de giek tenzij de zeilmaker die uitvoering voorschrijft.
Rollijn van de fok · furling line
Aansluiting en loop. Vanaf de trommel onder aan de voorstag via geleiders langs het dek naar een klem bij de kuip. Bij sommige systemen is het een eindloze lus.
Werking en effect. Aanhalen draait de trommel en rolt de fok in. Bij uitrollen geef je de rollijn van de fok beheerst uit terwijl de fokkenschoot het zeil opent.
Aan boord. Houd lichte tegendruk op de fokkenschoot bij inrollen. Stop bij blokkeren; gebruik niet zomaar een lier om meer kracht te zetten.
Inrollijn grootzeil / eindloze rollijn
Aansluiting en loop. Bij een rolmast naar de aandrijving onderin de mast; een eindloze lus loopt terug naar de kuip. Bij een rolgiek zit de aandrijving elders.
Werking en effect. Werkt samen met de uithaler om doek op of af te rollen. Welke tak van een eindloze lus je trekt hangt af van de installatie.
Aan boord. Volg de vereiste giekhoek, neerhouderstand en draairichting van het eigen systeem. De bindrifinstructie geldt hier niet.
Giek ondersteunen en beveiligen
Kraanlijn / giekophouder · topping lift
Aansluiting en loop. Van het giekeinde omhoog naar de masttop en eventueel via een schijf naar de bediening; sommige uitvoeringen zijn een vaste lijn met verstelbaar eind.
Werking en effect. Draagt de giek wanneer het zeil dat niet doet. Aanhalen tilt de giek op; vieren laat hem zakken.
Aan boord. Bij zeilen meestal zo instellen dat hij het achterlijk niet optilt. Voor strijken of reven eerst voor voldoende giekondersteuning zorgen.
Lazyjacks / opvanglijnen
Aansluiting en loop. Vertakken vanaf de mast langs beide zijden van het grootzeil naar punten aan de giek of een zeilhoes.
Werking en effect. Vormen een vangnet voor het doek tijdens strijken. Strakker zet het net hoger; losser geeft het gehesen zeil ruimte.
Aan boord. Ze zijn geen vervanging voor een dragende kraanlijn. Bij hijsen kan een zeillat achter een lazyjack blijven hangen; stop en maak hem vrij.
Bulletalie / giekbeveiliger · preventer
Aansluiting en loop. Vanaf een geschikt punt aan de giek via een daarvoor berekende route naar verder naar voren gelegen dekbeslag en een bereikbare bediening. De bevestiging moet bij giek en boot passen.
Werking en effect. Begrenst een onbedoelde giekbeweging bij ruime of voor-de-windse koers. De bulletalie vervangt de grootschoot niet en voorkomt niet onder alle omstandigheden een gijp.
Aan boord. De lijn moet gecontroleerd te lossen zijn. Bij wind aan de verkeerde zijde kunnen grote krachten ontstaan; laat inrichting en gebruik voordoen.
Overige uitrusting
Vlaggenlijn / seinlijn
Aansluiting en loop. Dunne lijn via een klein blokje, bijvoorbeeld aan een zaling, terug naar een bevestigingspunt.
Werking en effect. Hijsen of strijken van vlag of sein. Geen functie voor zeiltrim of maststeun.
Aan boord. Houd hem weg van draaiende voorzeilen en vallen; hij is niet geschikt om personen of zware lasten te dragen.
Veiligheidslijn / lifeline van een harnas
Aansluiting en loop. Verbindt een geschikt harnas met daarvoor ontworpen ankerpunten of een looplijn aan dek.
Werking en effect. Beperkt de bewegingsruimte van de persoon en helpt overboord vallen voorkomen.
Aan boord. Gebruik gecertificeerde passende uitrusting en volg de instructie. Gebruik geen grootschoot, fokkenschoot of relingdraad als vervanging voor de veiligheidslijn van een harnas.
De schema’s zijn vereenvoudigde illustraties. Bronnen en toelichting bij dit hoofdstuk.