Hoofdstuk 3 · Zeiltrim en sturen met roer en zeilen

3.5 Lijnen aan boord: namen, loop en werking

Van grootzeilval tot reeflijn: vind het bevestigingspunt, volg de lijn en bepaal wat er beweegt als je trekt.

Herken de lijn aan zijn aansluiting

Volg een onbekende lijn vanaf de klem of stopper langs de blokken naar het zeil, de giek of het beslag. Gebruik de kleur alleen als geheugensteun: kleuren zijn niet op alle boten hetzelfde. Maak een belaste lijn niet los om uit te zoeken wat hij doet.

Hier staan de gangbare lijnen van een kajuitzeiljacht met één mast, grootzeil en fok of genua, plus veelgebruikte uitbreidingen. Niet ieder jacht heeft alle lijnen. Blokken, vaste einden en bediening kunnen anders zijn aangesloten; vergelijk de beschrijving met de werkelijke loop en het tuigplan aan boord.

De aansluitpunten op het zeil: de top zit bovenaan; de halshoek is de onderste voorste hoek; de schoothoek de onderste achterste hoek. Het voorlijk loopt langs de mast of voorstag, het onderlijk langs de onderzijde en het achterlijk langs de achterrand.

Van bevestiging naar bediening: een blok leidt de lijn om. Meerdere schijven kunnen een takel vormen: je trekt met minder kracht, maar haalt meer lijn binnen. Een kikker, klem of stopper houdt de lijn vast; een lier helpt kracht zetten. Neem bij een belaste lijn de spanning eerst met de daarvoor bedoelde lier over voordat je de stopper opent. Houd vingers uit blokken en lussen.

Voorstag, zijstagen en meestal de achterstag behoren tot de mastondersteuning. Het zijn geen gewone bedieningslijnen. De verstelbare onderdelen daarvan staan hieronder apart genoemd.

Zoek op naam · 36 lijnen en lijngroepen + 2 schootwagens en het anker

Vrijwel altijd aanwezig

Vaak aanwezig

Bijzondere lijnen

Vrijwel altijd aanwezig

De basislijnen voor het hijsen en afstellen van de zeilen en het vastleggen van een kajuitzeiljacht. Bij een afwijkend tuig kan een functie anders zijn uitgevoerd. Oranje geeft in de schema’s de besproken lijn aan; de nummers horen bij de aansluitpunten eronder. Kleine witte rondjes stellen blokschijven voor, oranje punten bevestigingen. De oranje pijl bij het losse eind geeft de trekrichting aan. Kleine witte rondjes stellen blokschijven voor, oranje punten bevestigingen. Een oranje pijl bij het losse eind geeft de trekrichting aan. De schema’s tonen de werking, niet een exacte inscheertekening.

Grootzeilval · main halyard

Grootzeilval · main halyard: aansluitpunten en lijnloop 1. Zeiltop → 2. schijf in de masttop → 3. stopper en lier. Trek aan het bedieningsdeel om het grootzeil te hijsen. boeg kuip 1 2 3
1. Zeiltop → 2. schijf in de masttop → 3. stopper en lier.Trek aan het bedieningsdeel om het grootzeil te hijsen.

Aansluiting en loop. Aan de top van het grootzeil; via een schijf boven in de mast door of langs de mast naar een kikker of via dekblokken naar stopper en lier.

Werking en effect. Aanhalen hijst het zeil. Als het volledig staat, vergroot extra spanning de voorlijkspanning. Vieren verlaagt die spanning of laat het zeil zakken.

Aan boord. Ondersteun de giek voordat je strijkt. Stop met hijsen bij onverwachte weerstand; controleer glijders, riflijnen en de route van de grootzeilval.

Fokkenval / genuaval · jib halyard

Fokkenval / genuaval · jib halyard: aansluitpunten en lijnloop 1. Top van de fok (bij rolfok: bovenwartel) → 2. mastschijf → 3. bediening. De fokkenval hijst de fok; de rollijn van de fok rolt hem in. boeg kuip 1 2 3
1. Top van de fok (bij rolfok: bovenwartel) → 2. mastschijf → 3. bediening.De fokkenval hijst de fok; de rollijn van de fok rolt hem in.

Aansluiting en loop. Aan de top van fok of genua; via een schijf bij de voorstag naar de bediening aan mast of kuip. Bij een rolfok zit de fokkenval doorgaans aan de bovenste wartel.

Werking en effect. Hijsen zet het voorzeil; spanning beïnvloedt het voorlijk. De fokkenval rolt de fok niet in: daarvoor is de rollijn van de fok.

Aan boord. Bij een rolsysteem moeten valhoek en wartelhoogte kloppen. Een fokkenval die om de voorstag draait kan het systeem blokkeren; niet doortrekken.

Grootschoot · mainsheet

Grootschoot · mainsheet: aansluitpunten en lijnloop 1. Giekbeslag ↔ 2. dekblok of overloop → 3. grootschoot naar de hand of klem. Vereenvoudigde takel: aanhalen trekt de giek naar binnen en omlaag. boeg kuip 1 2 3
1. Giekbeslag ↔ 2. dekblok of overloop → 3. grootschoot naar de hand of klem.Detail van de grootschoottakel, van opzij gezien. Aanhalen trekt de giek naar binnen en omlaag.

Aansluiting en loop. Via een takel tussen beslag aan de giek en een sterk bevestigingspunt op dek of een overloopwagen. Het vaste eind en aantal schijven verschillen per boot.

Werking en effect. Aanhalen brengt de giek naar binnen en trekt hem ook omlaag; zo verandert zowel zeilhoek als achterlijkspanning. Vieren laat de giek verder naar buiten en, afhankelijk van giekneerhouder en koers, omhoog.

Aan boord. De volledige lus van de grootschoot beweegt bij een gijp door de kuip. Houd die ruimte vrij en leg de grootschoot zo dat hij beheerst gevierd kan worden.

Fokkenschoten / genuaschoten · jib sheets

Fokkenschoten / genuaschoten · jib sheets: aansluitpunten en lijnloop 1. Schoothoek → 2. geleideblok → 3. lier. De stippellijn stelt de andere fokkenschoot voor. Aanhalen trekt de schoothoek naar het geleideblok. De fokkenschoot aan lij is meestal belast. boeg kuip 1 2 3
1. Schoothoek → 2. geleideblok → 3. lier. De stippellijn stelt de andere fokkenschoot voor.Aanhalen trekt de schoothoek naar het geleideblok. De fokkenschoot aan lij is meestal belast.

Aansluiting en loop. Twee lijnen, of één doorlopende lijn, aan de schoothoek achteraan het voorzeil. Elke zijde loopt buiten of binnen de verstaging volgens het zeilplan, via een geleideblok naar een lier of klem.

Werking en effect. De fokkenschoot aan lij draagt normaal de belasting. Aanhalen trekt de schoothoek naar het geleideblok; vieren opent het zeil. Bij overstag neemt de andere fokkenschoot het over.

Aan boord. Controleer na de draai of de oude fokkenschoot vrij ligt. Een lijn achter een railing of stootwil is geen trimprobleem dat je met de lier oplost.

Onderlijkstrekker · outhaul

Onderlijkstrekker · outhaul: aansluitpunten en lijnloop 1. Schoothoek → 2. schijf in het giekeinde → 3. bediening, hier via de giek naar de kuip. Aanhalen trekt de schoothoek naar achteren en maakt het onderste zeildeel vlakker. boeg kuip 1 2 3
1. Schoothoek → 2. schijf in het giekeinde → 3. bediening, hier via de giek naar de kuip.Aanhalen trekt de schoothoek naar achteren en maakt het onderste zeildeel vlakker.

Aansluiting en loop. Aan de schoothoek van het grootzeil; via een schijf aan het giekeinde en vaak een takel in de giek naar een klem of kuipbediening.

Werking en effect. Aanhalen trekt de schoothoek naar achteren en maakt het onderste zeildeel doorgaans vlakker. Vieren laat meer bolling toe.

Aan boord. Verwar deze lijn niet met de reeflijn die ook bij het giekeinde naar buiten komt. Volg de lijn naar het zeiloog.

Giekneerhouder · vang / kicking strap

Giekneerhouder · vang / kicking strap: aansluitpunten en lijnloop 1. Onderzijde giek ↔ 2. mastvoet → 3. bedieningslijn van de takel. Aanhalen begrenst omhoogkomen van de giek. Het aantal schijven verschilt per boot. boeg kuip 1 2 3
1. Onderzijde giek ↔ 2. mastvoet → 3. bedieningslijn van de takel.Aanhalen begrenst omhoogkomen van de giek. Het aantal schijven verschilt per boot.

Aansluiting en loop. Een lijnentakel of bedieningslijn van een vaste giekneerhouder tussen het onderste deel van de mast en de onderzijde van de giek.

Werking en effect. Aanhalen begrenst omhoogkomen van de giek en sluit doorgaans het achterlijk. Vieren laat meer draaiing (twist) in het bovenste zeil toe.

Aan boord. Een vaste, dragende giekneerhouder kan ook de giek ondersteunen; een gewone lijnentakel doet dat niet. Controleer dit vóór je de kraanlijn lost.

Voorlijn en achterlijn / landvasten

Voorlijn en achterlijn / landvasten: aansluitpunten en lijnloop 1. Voorlijn: voorschip naar de wal vóór de boot. 2. Achterlijn: achterschip naar de wal achter de boot. Voorbeeld van een ligplaats. De beschikbare bolders bepalen de werkelijke richting. steiger · bovenaanzicht boeg achterschip 1 2
1. Voorlijn: voorschip naar de wal vóór de boot. 2. Achterlijn: achterschip naar de wal achter de boot.Voorbeeld van een ligplaats. De beschikbare bolders bepalen de werkelijke richting.

Aansluiting en loop. Van sterke kikkers op voor- of achterschip naar walbolder of steigerkikker.

Werking en effect. Houden de boot bij de ligplaats. De richting bepaalt welke verplaatsing ze begrenzen; spanning moet waterstandsverandering toelaten.

Aan boord. Niet vastmaken aan een willekeurige railing. Controleer schavielen en houd de lijn uit de schroef.

Voorspring en achterspring

Voorspring en achterspring: aansluitpunten en lijnloop 1. Oranje: voorspring, van voor naar achteren. 2. Blauw: achterspring, van achter naar voren. De voorspring remt vooruitbewegen; de achterspring remt achteruitbewegen. De lijnen zijn bij de kruising niet verbonden. steiger · bovenaanzicht boeg achterschip 1 2
1. Oranje: voorspring, van voor naar achteren. 2. Blauw: achterspring, van achter naar voren.De voorspring remt vooruitbewegen; de achterspring remt achteruitbewegen. De lijnen zijn bij de kruising niet verbonden.

Aansluiting en loop. Voorspring: voorschip naar achteren langs de steiger. Achterspring: achterschip naar voren langs de steiger.

Werking en effect. De voorspring begrenst vooruitbewegen, de achterspring achteruitbewegen. Ze werken samen met voor- en achterlijn.

Aan boord. Vang geen grote resterende vaart met een plotseling strak getrokken spring op.

Anker · geen lijn

Aansluiting en werking. Aan het oog van de ankerschacht zit de ketting of ankerlijn, met een daarvoor geschikte, geborgde verbinding. Het anker houdt doordat het zich in de bodem ingraaft; het gewicht alleen houdt de boot niet op zijn plaats.

Gangbare typen op kajuitzeiljachten. Herken hieronder de hoofdvormen. De tekeningen zijn vereenvoudigd; controleer het exacte model en de voorgeschreven maat aan boord.

Plaatanker · Danforth / Fortress: vereenvoudigde herkenningsvorm

Plaatanker · Danforth / Fortress

Twee brede vloeien en een dwarsstok. Bruikbaar in zand en modder; minder geschikt voor dichte begroeiing en rots. Plat op te bergen.

Ploeganker · CQR / Delta: vereenvoudigde herkenningsvorm

Ploeganker · CQR / Delta

Een ploegvormige punt. Veel gebruikt als hoofdanker op de boegrol; geschikt voor uiteenlopende bodems. CQR heeft een scharnierende schacht, Delta een vaste.

Klauwanker · Bruce-type: vereenvoudigde herkenningsvorm

Klauwanker · Bruce-type

Een gebogen klauw met meerdere lobben. Zet vaak gemakkelijk in zand en modder; harde klei of dicht wier kan het ingraven hinderen.

Lepelanker · bijvoorbeeld Rocna / Spade: vereenvoudigde herkenningsvorm

Lepelanker · bijvoorbeeld Rocna / Spade

Een hol, lepelvormig blad. Moderne hoofdankers voor onder meer zand en modder. Sommige hebben een rolbeugel, zoals het getekende voorbeeld; andere niet.

Aan boord. Controleer vóór het uitbrengen de verbinding, de borging en of het anker vrij van de boegrol kan komen. Kies een geschikte bodem en voldoende ruimte. Een anker dat op een steen of in wier blijft hangen kan vast lijken te zitten en later losschieten. Controleer na het zetten of het werkelijk houdt.

Voor de volledige handeling: 4.4 Ankeren. Typen en bodemgebruik: West Marine · ankertypen.

Ankerlijn / ankerketting

Ankerlijn / ankerketting: aansluitpunten en lijnloop 1. Anker → 2. boegrol → 3. sterk bevestigingspunt aan boord. Lijn en/of ketting draagt de trekkracht. Schematisch: geen voorbeeld voor benodigde lengte of trekhoek. water bodem 1 2 3
1. Anker → 2. boegrol → 3. sterk bevestigingspunt aan boord.Lijn en/of ketting draagt de trekkracht. Schematisch: geen voorbeeld voor benodigde lengte of trekhoek.

Aansluiting en loop. Van het anker, eventueel via kettingvoorloop, langs boegrol of kluis naar daarvoor bestemd sterk beslag; het binnenste einde is geborgd.

Werking en effect. Draagt de ankerbelasting. Meer uitgegeven lengte verandert de trekhoek en benodigde zwaairuimte.

Aan boord. Laat de belasting niet alleen op de ankerlier staan. Een snubber of kettingontlaster verbindt de ketting met geschikt beslag en kan schokken verminderen.

Hoeveel ankerlijn of ketting geef je uit?

Reken met de totale uitgegeven lengte tussen anker en boegrol: ketting plus lijn samen. De verhouding tussen die lengte en de verticale afstand van boegrol tot bodem heet scope.

Uit te geven lengte = (waterdiepte + verwachte stijging + boeghoogte) × verhoudingAlle lengtes in meters. Boeghoogte betekent hier: hoogte van de boegrol boven het water.
Welke afstanden tel je op voor de ankerlengte? De verticale afstand bestaat uit waterdiepte tot de bodem, verwachte waterstandstijging en boeghoogte boven het water. De uit te geven lengte loopt schuin van anker naar boegrol en is niet dezelfde afstand. diepte stijging boeghoogte water nu hoogste water bodem uitgegeven lengte
Reken op de hoogste waterstand tijdens je verblijf. De boot stijgt mee; de boeghoogte boven water blijft ongeveer gelijk. Dit schema is niet op schaal.
  1. Bepaal de waterdiepte vanaf het wateroppervlak. Geeft de dieptemeter de ruimte onder de kiel aan? Tel de diepgang erbij. Meet hij vanaf de transducer, tel dan de diepte van de transducer onder water erbij. Doe dit niet als de meter al naar het wateroppervlak is gecorrigeerd.
  2. Tel waterstandstijging en boeghoogte erbij. Gebruik de grootste diepte die tijdens je verblijf kan optreden. Heb je al met die hoogste waterstand gerekend, tel de stijging dan niet nogmaals op.
  3. Kies de verhouding voor je uitrusting en omstandigheden. BoatUS gebruikt 7:1 als algemene richtlijn. Dat is een bruikbaar rekenuitgangspunt, geen garantie op houvast. Sommige fabrikanten geven andere waarden: Rocna noemt bijvoorbeeld 5:1 voor algemene omstandigheden. Gebruik een kleinere verhouding alleen als die past bij de handleiding en de situatie; niet alleen omdat de ankerplek krap is.
  4. Vermenigvuldig en controleer de beschikbare lengte en ruimte. Rond naar boven af op een herkenbare lijn- of kettingmarkering. Meer wind, golven of een ongunstige bodem kan extra lengte of een andere, beter beschutte plek vereisen. Kies een andere plek als je de benodigde lengte niet kwijt kunt.
Voorbeeld: 32 meter totaal uitgeven

Waterdiepte 3 m + verwachte stijging 0,5 m + boeghoogte 1 m = 4,5 m.

Bij een gekozen verhouding van 7:1: 4,5 × 7 = 31,5 m. Met metermarkeringen rond je naar boven af tot 32 m.

Geef je eerst 5 m ketting uit, dan volgt nog 27 m lijn. Bij een volledig kettingtuig geef je 32 m ketting uit.

Zwaairuimte controleren. Reken als grove bovengrens vanaf het anker met uitgegeven lengte plus bootlengte, en houd extra marge voor lijnrek, positie-onzekerheid en obstakels. Bij 32 m uit en een boot van 8 m is dat ongeveer 40 m straal, vóór die extra marge. Andere boten hebben hun eigen ankerplek en draaicirkel. Deze schatting is geen instelling voor een ankeralarm.

Na het uitgeven: zet het anker gecontroleerd en controleer met vaste walpunten of je verplaatst. De berekening zegt hoeveel je uitgeeft, niet of het anker goed is ingegraven. Zie controleren of je krabt.

Rekenbasis: BoatUS Foundation · scope en ankeren; afwijkende fabrikantwaarden: Rocna · scope. Geraadpleegd 7 september 2026.

Stootwillijn / fenderlijn

Stootwillijn / fenderlijn: aansluitpunten en lijnloop 1. Geschikt bevestigingspunt aan boord → 2. oog van de stootwil. Verstel de lijn tot de stootwil op de contacthoogte tussen romp en steiger hangt. steiger 1 2
1. Geschikt bevestigingspunt aan boord → 2. oog van de stootwil.Verstel de lijn tot de stootwil op de contacthoogte tussen romp en steiger hangt.

Aansluiting en loop. Van het oog van de stootwil naar een geschikt bevestigingspunt aan boord.

Werking en effect. Regelt de hoogte van de stootwil zodat die tussen romp en steiger zit waar contact verwacht wordt.

Aan boord. Niet gebruiken als landvast of handgreep. Controleer hoogte opnieuw bij een andere steiger.

Vaak aanwezig

Deze lijnen hangen af van de uitrusting: bijvoorbeeld een rolfok, bindrif, rolmast, overloop of lazyjacks. Zoek eerst uit welk systeem jouw boot heeft.

Grootschootwagen / traveller · geen lijn

Grootschootwagen / traveller · geen lijn: aansluiting en werking 1. Grootschoot → 2. wagen met blok → 3. dwarsrail. De pijlen tonen de verplaatsing van de wagen. Dwars op de boot gezien. De wagen verschuift het onderste aangrijpingspunt van de grootschoot. 1 2 3
1. Grootschoot → 2. wagen met blok → 3. dwarsrail. De pijlen tonen de verplaatsing van de wagen.Dwars op de boot gezien. De wagen verschuift het onderste aangrijpingspunt van de grootschoot.

Plaats en aansluiting. De grootschootwagen rijdt over een rail, meestal dwars op de boot. Het onderste grootschootblok zit aan deze wagen. De rail met wagen wordt de overloop of traveller genoemd. Het is geen lijn, maar wel een belangrijk onderdeel om de stand van het grootzeil te regelen.

Werking en effect. Door de wagen te verplaatsen verander je het aangrijpingspunt van de grootschoot. Naar lij laat je de giek verder naar buiten komen; naar loef breng je hem meer naar het midden. Zo kun je de zeilhoek aanpassen terwijl de achterlijkspanning minder verandert dan bij het vieren of aanhalen van de grootschoot.

Aan boord. Wil je aan de wind tijdelijk minder zeildruk en helling, laat de wagen dan beheerst een stukje naar lij gaan. Houd de schootstand daarbij eerst gelijk en kijk naar de reactie van de boot. Bedien de wagen met de overlooplijnen hieronder; houd handen weg van de belaste wagen en rail.

Overlooplijnen · traveller control lines

Overlooplijnen · traveller control lines: aansluiting en werking 1. Wagen → 2 en 3. eindblokken → losse bedieningsdelen. Links en rechts hebben een eigen lijn. Door de ene zijde aan te halen en de andere beheerst te vieren verplaats je de wagen. Eenvoudig voorbeeld; extra takels verschillen per boot. 1 2 3
1. Wagen → 2 en 3. eindblokken → losse bedieningsdelen. Links en rechts hebben een eigen lijn.Door de ene zijde aan te halen en de andere beheerst te vieren verplaats je de wagen. Eenvoudig voorbeeld; extra takels verschillen per boot.

Aansluiting en loop. Aan weerszijden van de grootschootwagen, via eindblokken naar klemmen.

Werking en effect. Verplaatsen de wagen dwars op de boot. Wagen naar lij brengt de giek verder naar buiten, met minder verandering van schootlengte dan grootschoot vieren.

Aan boord. Niet ieder jacht heeft een overloop. Gebruik geen vingers om een belaste wagen te verplaatsen.

Fokkenschootwagen / genuawagen · geen lijn

Fokkenschootwagen / genuawagen · geen lijn: aansluiting en werking 1. Schoothoek → 2. blok op de wagen → 3. fokkenschoot naar de lier. De rail loopt langs de boot. Wagen naar voren: relatief meer neerwaartse trek. Naar achteren: relatief meer achterwaartse trek. Blauwe lijn = fokkenschoot. voor achter 1 2 3
1. Schoothoek → 2. blok op de wagen → 3. fokkenschoot naar de lier. De rail loopt langs de boot.Wagen naar voren: relatief meer neerwaartse trek. Naar achteren: relatief meer achterwaartse trek. Blauwe lijn = fokkenschoot.

Plaats en aansluiting. Dit is een verplaatsbare wagen met een geleideblok op een rail langs het dek. De fokkenschoot loopt vanaf de schoothoek door dit blok naar de lier. De wagen is geen lijn, maar een belangrijk onderdeel van de voorzeiltrim.

Werking en effect. Bij een gewone langsrail trekt een verder naar voren geplaatste wagen de schoothoek relatief meer omlaag: het bovenste achterlijk sluit doorgaans meer. Verder naar achteren trekt de fokkenschoot meer naar achteren en opent het bovenste achterlijk. Controleer het effect met het zeil vol en de fokkenschoot opnieuw afgesteld.

Aan boord. Verstel in kleine stappen. Heeft de wagen een borgpen, ontlast de fokkenschoot dan eerst en controleer na het verplaatsen of de pen volledig vastzit. Verplaatsen onder belasting kan alleen met een daarvoor ontworpen lijnbediening, zoals hieronder beschreven.

Fokkenwagenlijnen · jib-car control lines

Fokkenwagenlijnen · jib-car control lines: aansluiting en werking 1. Fokkenschootwagen → 2 en 3. lijnbediening via de uiteinden van de rail. Oranje bedient de wagen; blauw is de fokkenschoot door het wagenblok. Een wagen met alleen een borgpen heeft deze bedieningslijnen niet. voor achter 1 2 3
1. Fokkenschootwagen → 2 en 3. lijnbediening via de uiteinden van de rail.Oranje bedient de wagen; blauw is de fokkenschoot door het wagenblok. Een wagen met alleen een borgpen heeft deze bedieningslijnen niet.

Aansluiting en loop. Van een verstelbare fokkenschootwagen via rail- of dekblokken naar de bediening. Een eenvoudige wagen kan in plaats daarvan alleen een borgpen hebben.

Werking en effect. Wagen naar voren geeft bij gewone langsrails meer neerwaartse trek op de schoothoek en sluit doorgaans het bovenste achterlijk. Naar achteren opent het bovenste deel meer.

Aan boord. Met een borgpen eerst de fokkenschoot veilig ontlasten. Verstellen onder belasting kan alleen met een daarvoor ontworpen systeem.

Cunningham / voorlijkstrekker

Cunningham / voorlijkstrekker: aansluiting en werking 1. Versterkt cunninghamoog → 2. bevestiging bij de mastvoet → 3. bedieningsdeel. Detail van het onderste voorlijk. Aanhalen trekt het oog omlaag en vergroot de voorlijkspanning; het is geen rifoog. 1 2 3
1. Versterkt cunninghamoog → 2. bevestiging bij de mastvoet → 3. bedieningsdeel.Detail van het onderste voorlijk. Aanhalen trekt het oog omlaag en vergroot de voorlijkspanning; het is geen rifoog.

Aansluiting en loop. Door of aan een versterkt oog in het voorlijk, net boven de halshoek; via een takel naar mastvoet of daarvoor bestemd beslag.

Werking en effect. Trekt het voorlijk omlaag zonder de grootzeilval te hoeven vieren. Meer spanning helpt de bolling naar voren te brengen en voorlijkrimpels te verminderen; minder spanning laat het voorlijk losser.

Aan boord. Het oog boven de halshoek is niet automatisch een rifpunt. Gebruik het daarvoor bedoelde oog en de grenzen van de zeilmaker.

Kraanlijn / giekophouder · topping lift

Kraanlijn / giekophouder · topping lift: aansluiting en werking 1. Giekeinde → 2. masttop → 3. bediening. Hier een verstelbare kraanlijn via de mast. De kraanlijn draagt de giek bij een gestreken zeil. Tijdens zeilen mag hij het achterlijk niet ongewenst optillen. boeg kuip 1 2 3
1. Giekeinde → 2. masttop → 3. bediening. Hier een verstelbare kraanlijn via de mast.De kraanlijn draagt de giek bij een gestreken zeil. Tijdens zeilen mag hij het achterlijk niet ongewenst optillen.

Aansluiting en loop. Van het giekeinde omhoog naar de masttop en eventueel via een schijf naar de bediening; sommige uitvoeringen zijn een vaste lijn met verstelbaar eind.

Werking en effect. Draagt de giek wanneer het zeil dat niet doet. Aanhalen tilt de giek op; vieren laat hem zakken.

Aan boord. Bij zeilen meestal zo instellen dat hij het achterlijk niet optilt. Voor strijken of reven eerst voor voldoende giekondersteuning zorgen.

Achterlijklijntje · leech line

Achterlijklijntje · leech line: aansluiting en werking 1. Dun lijntje in de achterlijkzoom → 2. klein klemmetje bij de schoothoek. Haal alleen genoeg aan om het fladderen van de rand te stoppen. De hele schoothoek wordt hiermee niet verplaatst. 1 2 detail van de achterrand
1. Dun lijntje in de achterlijkzoom → 2. klein klemmetje bij de schoothoek.Haal alleen genoeg aan om het fladderen van de rand te stoppen. De hele schoothoek wordt hiermee niet verplaatst.

Aansluiting en loop. Een dun lijntje in de zoom van het achterlijk, met een klein klemmetje bij de schoothoek of reefpunten; kan in grootzeil én fok zitten.

Werking en effect. Net aanhalen kan trillend of klapperend achterlijk tot rust brengen. Te veel spanning trekt het achterlijk naar binnen tot een haak.

Aan boord. Gebruik dit niet om een slecht getrimd heel zeil stil te trekken. Controleer eerst de zeilvorm en de grootschoot bij het grootzeil of de fokkenschoot bij de fok.

Onderlijklijntje · foot line (indien aanwezig)

Onderlijklijntje · foot line (indien aanwezig): aansluiting en werking 1. Dun lijntje in de onderlijkzoom → 2. klein klemmetje. Neemt fladderen van de onderste rand weg. Dit is niet de onderlijkstrekker aan de schoothoek. 1 2 detail van de onderste zoom
1. Dun lijntje in de onderlijkzoom → 2. klein klemmetje.Neemt fladderen van de onderste rand weg. Dit is niet de onderlijkstrekker aan de schoothoek.

Aansluiting en loop. Een dun lijntje in de onderste zoom van het zeil, doorgaans met een klein klemmetje.

Werking en effect. Neemt alleen plaatselijk fladderen van de rand weg. Het is niet de onderlijkstrekker die de schoothoek naar achteren trekt.

Aan boord. Haal zo weinig mogelijk aan. Maak een te strak ingetrokken zoom weer los.

Reeflijn / smeerreep · reefing line

Reeflijn / smeerreep · reefing line: aansluiting en werking 1. Achterste rifoog → 2. vast eind bij de giek → 3. schijf in het giekeinde en terug naar de bediening. Voorbeeld van een achterste reeflijn. Beide lijndelen trekken samen het rifoog omlaag en naar achteren. De precieze bevestiging volgt het reefsysteem. 1 2 3
1. Achterste rifoog → 2. vast eind bij de giek → 3. schijf in het giekeinde en terug naar de bediening.Voorbeeld van een achterste reeflijn. Beide lijndelen trekken samen het rifoog omlaag en naar achteren. De precieze bevestiging volgt het reefsysteem.

Aansluiting en loop. Bij een gangbaar bindrif vanaf een passend punt aan de giek door het versterkte achterste rifoog, terug naar het giekeinde en door de giek naar de bediening. Een ander systeem kan anders lopen.

Werking en effect. Trekt het nieuwe achterste rifpunt omlaag en naar achteren. Samen met een vastgezette nieuwe halshoek ontstaat een kleiner grootzeil.

Aan boord. Volg de tekening van het eigen reefsysteem. De plaats waar de lijn aan de giek vastzit bepaalt mede de trekrichting.

Voorste reeflijn / halshoek-reeflijn (systeemafhankelijk)

Voorste reeflijn / halshoek-reeflijn (systeemafhankelijk): aansluiting en werking 1. Voorste rifoog → 2. bevestiging bij de mast → 3. bediening van de voorste reeflijn. Zet de nieuwe halshoek vast bij reven. Sommige boten gebruiken hier een rifhaak; éénlijnsreefsystemen hebben een andere lijnloop. 1 2 3
1. Voorste rifoog → 2. bevestiging bij de mast → 3. bediening van de voorste reeflijn.Zet de nieuwe halshoek vast bij reven. Sommige boten gebruiken hier een rifhaak; éénlijnsreefsystemen hebben een andere lijnloop.

Aansluiting en loop. Van het voorste rifoog naar beslag of blokken bij de mast en de bediening. Sommige jachten gebruiken hier een rifhaak in plaats van een lijn.

Werking en effect. Zet de nieuwe halshoek van het gereefde zeil vast en neemt de belasting bij het voorlijk op.

Aan boord. Bij een éénlijnsrif bedient één lijn voor- en achterrifpunt via extra blokken. Kopieer niet de loop van een tweelijnssysteem.

Reefknuttels / rifbandjes

Reefknuttels / rifbandjes: aansluiting en werking 1. Rifbandjes door kleine zeilogen houden het opgerolde doek bij elkaar. 2. De giek ligt eronder. Dit voorbeeld bindt alleen het doek bijeen. De bandjes dragen geen zeilkrachten; daarvoor dienen de versterkte rifhoeken. 1 2
1. Rifbandjes door kleine zeilogen houden het opgerolde doek bij elkaar. 2. De giek ligt eronder.Dit voorbeeld bindt alleen het doek bijeen. De bandjes dragen geen zeilkrachten; daarvoor dienen de versterkte rifhoeken.

Aansluiting en loop. Korte bandjes of lijntjes door kleine ogen tussen de twee versterkte rifhoeken.

Werking en effect. Houden het overtollige doek bijeen. Ze dragen niet de krachten van het gereefde zeil.

Aan boord. Maak ze los vóór het rif eruit gaat. Bind niet strak om de giek tenzij de zeilmaker die uitvoering voorschrijft.

Rollijn van de fok · furling line

Rollijn van de fok · furling line: aansluiting en werking 1. Rolfoktrommel bij de boeg → 2. dekgeleiders → 3. rollijn van de fok naar de kuip. Aanhalen draait de trommel en rolt het voorzeil in. De fokkenval blijft een afzonderlijke lijn. boeg kuip 1 2 3
1. Rolfoktrommel bij de boeg → 2. dekgeleiders → 3. rollijn van de fok naar de kuip.Aanhalen draait de trommel en rolt het voorzeil in. De fokkenval blijft een afzonderlijke lijn.

Aansluiting en loop. Vanaf de trommel onder aan de voorstag via geleiders langs het dek naar een klem bij de kuip. Bij sommige systemen is het een eindloze lus.

Werking en effect. Aanhalen draait de trommel en rolt de fok in. Bij uitrollen geef je de rollijn van de fok beheerst uit terwijl de fokkenschoot het zeil opent.

Aan boord. Houd lichte tegendruk op de fokkenschoot bij inrollen. Stop bij blokkeren; gebruik niet zomaar een lier om meer kracht te zetten.

Inrollijn grootzeil / eindloze rollijn

Inrollijn grootzeil / eindloze rollijn: aansluiting en werking 1. Rolmastaandrijving ↔ 2. eindloze bedieningslus. 3. Blauwe lijn: afzonderlijke uithaler. Voorbeeld van een rolmast. De lus bedient het rollen; de uithaler trekt het zeil naar buiten. Draairichting en giekhoek volgen de handleiding. 1 2 3
1. Rolmastaandrijving ↔ 2. eindloze bedieningslus. 3. Blauwe lijn: afzonderlijke uithaler.Voorbeeld van een rolmast. De lus bedient het rollen; de uithaler trekt het zeil naar buiten. Draairichting en giekhoek volgen de handleiding.

Aansluiting en loop. Bij een rolmast naar de aandrijving onderin de mast; een eindloze lus loopt terug naar de kuip. Bij een rolgiek zit de aandrijving elders.

Werking en effect. Werkt samen met de uithaler om doek op of af te rollen. Welke tak van een eindloze lus je trekt hangt af van de installatie.

Aan boord. Volg de vereiste giekhoek, neerhouderstand en draairichting van het eigen systeem. De bindrifinstructie geldt hier niet.

Lazyjacks / opvanglijnen

Lazyjacks / opvanglijnen: aansluiting en werking 1. Bevestiging aan de mast → 2. vertakkingen → 3. punten aan giek of zeilhoes. Stippellijnen: de andere zijde. De lijnen vormen een opvangnet voor het strijkende doek. Ze ondersteunen de giek zelf niet. boeg kuip 1 2 3
1. Bevestiging aan de mast → 2. vertakkingen → 3. punten aan giek of zeilhoes. Stippellijnen: de andere zijde.De lijnen vormen een opvangnet voor het strijkende doek. Ze ondersteunen de giek zelf niet.

Aansluiting en loop. Vertakken vanaf de mast langs beide zijden van het grootzeil naar punten aan de giek of een zeilhoes.

Werking en effect. Vormen een vangnet voor het doek tijdens strijken. Strakker zet het net hoger; losser geeft het gehesen zeil ruimte.

Aan boord. Ze zijn geen vervanging voor een dragende kraanlijn. Bij hijsen kan een zeillat achter een lazyjack blijven hangen; stop en maak hem vrij.

Bulletalie / giekbeveiliger · preventer

Bulletalie / giekbeveiliger · preventer: aansluiting en werking 1. Geschikt giekbeslag → 2. sterk beslag verder naar voren → 3. bereikbare bediening. Bovenaanzicht. Voorbeeldroute van een bulletalie bij uitgezwaaide giek. Bevestigingspunten moeten voor de belasting zijn ontworpen; de lijn moet beheerst te lossen zijn. boeg hek 1 2 3
1. Geschikt giekbeslag → 2. sterk beslag verder naar voren → 3. bereikbare bediening. Bovenaanzicht.Voorbeeldroute van een bulletalie bij uitgezwaaide giek. Bevestigingspunten moeten voor de belasting zijn ontworpen; de lijn moet beheerst te lossen zijn.

Aansluiting en loop. Vanaf een geschikt punt aan de giek via een daarvoor berekende route naar verder naar voren gelegen dekbeslag en een bereikbare bediening. De bevestiging moet bij giek en boot passen.

Werking en effect. Begrenst een onbedoelde giekbeweging bij ruime of voor-de-windse koers. De bulletalie vervangt de grootschoot niet en voorkomt niet onder alle omstandigheden een gijp.

Aan boord. De lijn moet gecontroleerd te lossen zijn. Bij wind aan de verkeerde zijde kunnen grote krachten ontstaan; laat inrichting en gebruik voordoen.

Achterstagspanner · backstay control

Achterstagspanner · backstay control: aansluiting en werking 1. Achterstag → 2. spanner bij het hek → 3. bedieningslijn (hier een lijnentakel). Verandert spanning van de verstaging en, afhankelijk van het tuig, mastbuiging. De achterstag ondersteunt de mast; niet willekeurig ontspannen. boeg kuip 1 2 3
1. Achterstag → 2. spanner bij het hek → 3. bedieningslijn (hier een lijnentakel).Verandert spanning van de verstaging en, afhankelijk van het tuig, mastbuiging. De achterstag ondersteunt de mast; niet willekeurig ontspannen.

Aansluiting en loop. Een lijnentakel, mechanische spanner of hydrauliek onder aan de achterstag naar passend hekbeslag.

Werking en effect. Verandert stagspanning en, afhankelijk van het tuig, mastbuiging en voorstagdoorhang. Dat kan grootzeil en fok vlakker of voller laten staan.

Aan boord. Geen algemene trekstand gebruiken. De achterstag hoort bij de mastondersteuning; volg de tuigafstelling en ontspan nooit willekeurig volledig.

Vlaggenlijn / seinlijn

Vlaggenlijn / seinlijn: aansluiting en werking 1. Klein blok onder de zaling → 2. bedieningslus aan de mast. De vlag zit aan één zijde van de lus. Aan de ene zijde trekken hijst de vlag; aan de andere zijde trekken strijkt hem. Alleen geschikt voor lichte vlaggen en seinen. 1 2
1. Klein blok onder de zaling → 2. bedieningslus aan de mast. De vlag zit aan één zijde van de lus.Aan de ene zijde trekken hijst de vlag; aan de andere zijde trekken strijkt hem. Alleen geschikt voor lichte vlaggen en seinen.

Aansluiting en loop. Dunne lijn via een klein blokje, bijvoorbeeld aan een zaling, terug naar een bevestigingspunt.

Werking en effect. Hijsen of strijken van vlag of sein. Geen functie voor zeiltrim of maststeun.

Aan boord. Houd hem weg van draaiende voorzeilen en vallen; hij is niet geschikt om personen of zware lasten te dragen.

Veiligheidslijn / lifeline van een harnas

Veiligheidslijn / lifeline van een harnas: aansluiting en werking 1. Harnas → 2. veiligheidslijn met geschikte sluitingen → 3. ontworpen looplijn aan dek (blauw). Principe van aanlijnen; geen maatvoering. Kies goedgekeurde uitrusting en een lengte en route die overboord vallen helpen voorkomen. 1 2 3
1. Harnas → 2. veiligheidslijn met geschikte sluitingen → 3. ontworpen looplijn aan dek (blauw).Principe van aanlijnen; geen maatvoering. Kies goedgekeurde uitrusting en een lengte en route die overboord vallen helpen voorkomen.

Aansluiting en loop. Verbindt een geschikt harnas met daarvoor ontworpen ankerpunten of een looplijn aan dek.

Werking en effect. Beperkt de bewegingsruimte van de persoon en helpt overboord vallen voorkomen.

Aan boord. Gebruik gecertificeerde passende uitrusting en volg de instructie. Gebruik geen grootschoot, fokkenschoot of relingdraad als vervanging voor de veiligheidslijn van een harnas.

Bijzondere lijnen

Voor aanvullende zeilen, speciale trim of een afwijkend tuig. De lijnen voor spinnaker en gennaker staan hieronder bij elkaar.

Fokneerhaler · jib downhaul (indien aanwezig)

Fokneerhaler · jib downhaul (indien aanwezig): aansluiting en werking 1. Top van de hijsfok → 2. blok bij de boeg → 3. neerhaallijn naar de bediening. Bij het trekken moet de fokkenval gecontroleerd mee uitlopen. De neerhaler trekt het zeil langs het voorlijk omlaag. boeg kuip 1 2 3
1. Top van de hijsfok → 2. blok bij de boeg → 3. neerhaallijn naar de bediening.Bij het trekken moet de fokkenval gecontroleerd mee uitlopen. De neerhaler trekt het zeil langs het voorlijk omlaag.

Aansluiting en loop. Vanaf de top van een hijsfok langs het voorlijk naar een blok bij de boeg en terug naar de bedieningsplek; de uitvoering verschilt.

Werking en effect. Tijdens gecontroleerd vieren van de fokkenval trekt deze lijn de fok naar beneden. Hij dient niet voor het trimmen van een rolfok.

Aan boord. Haal niet tegen een nog vastgezette fokkenval in. Houd het neergehaalde doek en alle lijn uit het water.

Barberhauler / inhauler / uithaler (optioneel)

Barberhauler / inhauler / uithaler (optioneel): aansluiting en werking 1. Ring om de fokkenschoot (blauw) → 2. sterk dekbeslag met blok → 3. aparte trimlijn (oranje). De trimlijn verplaatst het geleidepunt en verandert de trekrichting van de fokkenschoot. Naar binnen, buiten of omlaag hangt van het dekbeslag af. 1 2 3
1. Ring om de fokkenschoot (blauw) → 2. sterk dekbeslag met blok → 3. aparte trimlijn (oranje).De trimlijn verplaatst het geleidepunt en verandert de trekrichting van de fokkenschoot. Naar binnen, buiten of omlaag hangt van het dekbeslag af.

Aansluiting en loop. Een aparte lijn trekt via een ring of blok de fokkenschoot of schoothoek naar binnen, buiten of omlaag; alleen aan daarvoor bedoeld beslag.

Werking en effect. Verandert de trekrichting zonder de hoofdwagen te verplaatsen. Te ver naar binnen kan de ruimte tussen fok en grootzeil dichtzetten.

Aan boord. Controleer zeilvorm en belasting na kleine wijzigingen. Een railingdraad is geen vanzelfsprekend belastbaar bevestigingspunt.

Bakstagen en checkstays (indien aanwezig)

Bakstagen en checkstays (indien aanwezig): aansluiting en werking 1. Bakstag vanaf een hoger mastpunt. 2. Checkstay vanaf een lager punt (blauw). 3. Bevestigingen achter op dek. Schematisch voorbeeld met één zijde uitgelicht. Hoogte, aantal en welke zijde belast moet zijn worden door het tuigplan bepaald. boeg kuip 1 2 3
1. Bakstag vanaf een hoger mastpunt. 2. Checkstay vanaf een lager punt (blauw). 3. Bevestigingen achter op dek.Schematisch voorbeeld met één zijde uitgelicht. Hoogte, aantal en welke zijde belast moet zijn worden door het tuigplan bepaald.

Aansluiting en loop. Extra steun vanaf een mastpunt naar achterlijk dekbeslag aan beide zijden, vaak met takel of lier.

Werking en effect. Ondersteunen mast of binnenvoorstag en beïnvloeden mastbuiging. Welke zijde moet dragen hangt van tuig en manoeuvre af.

Aan boord. Dit is mastondersteuning, geen gewone zeilschoot. Een verkeerde wissel kan de mast in gevaar brengen; uitsluitend bedienen volgens het tuigplan.

Lijnen voor spinnaker en gennaker

Een symmetrische spinnaker gebruikt een boom met spinnakerboomophouder, spinnakerboomneerhouder en een spinnakerbras aan loef. Een gennaker wordt meestal zonder boom gevaren, met een halshoeklijn aan de boeg of boegspriet. Gebruik voor een spinnaker een spinnakerval en spinnakerschoten; voor een gennaker een gennakerval en gennakerschoten.

Spinnakerval / gennakerval

Spinnakerval / gennakerval: aansluiting en werking 1. Top van het extra voorzeil → 2. eigen valblok of mastschijf → 3. valbediening. De spinnakerval of gennakerval draagt het gehesen zeil. Hij moet vrijlopen van voorstag en eventuele roller; dit is geen spinnakerschoot of gennakerschoot. boeg kuip 1 2 3
1. Top van het extra voorzeil → 2. eigen valblok of mastschijf → 3. valbediening.De spinnakerval of gennakerval draagt het gehesen zeil. Hij moet vrijlopen van voorstag en eventuele roller; dit is geen spinnakerschoot of gennakerschoot.

Aansluiting en loop. Van de zeiltop via het daarvoor bestemde valblok of de mastschijf naar mast of kuip.

Werking en effect. Hijsen brengt het extra voorzeil omhoog; gecontroleerd vieren laat het zakken. Bij een strijkslurf kan daarnaast een afzonderlijke bedieningslijn voor de slurf aanwezig zijn.

Aan boord. Gebruik de bedoelde spinnakerval of gennakerval en maximale hijshoogte. Een verkeerd lopende spinnakerval of gennakerval kan langs de voorstag schavielen of het oprollen hinderen.

Spinnaker- of gennakerschoten

Spinnaker- of gennakerschoten: aansluiting en werking 1. Schoothoek → 2. blok achter op de boot → 3. spinnakerschoot of gennakerschoot naar de lier. Eén belaste spinnakerschoot of gennakerschoot uitgelicht. De volledige loop blijft vrij van verstaging en andere lijnen, volgens het zeilplan. boeg kuip 1 2 3
1. Schoothoek → 2. blok achter op de boot → 3. spinnakerschoot of gennakerschoot naar de lier.Eén belaste spinnakerschoot of gennakerschoot uitgelicht. De volledige loop blijft vrij van verstaging en andere lijnen, volgens het zeilplan.

Aansluiting en loop. Aan de schoothoek(en) van het extra voorzeil, buiten de normale tuigage volgens het zeilplan naar achterste blokken en lieren.

Werking en effect. Regelen hoe ver het zeil openstaat. Gecontroleerd vieren opent; aanhalen trekt de schoothoek naar de boot.

Aan boord. Een lijn binnen een stag terwijl hij erbuiten hoort kan het zeil of de manoeuvre blokkeren. Bereid de volledige loop voor vóór hijsen.

Brassen · spinnaker guys

Brassen · spinnaker guys: aansluiting en werking 1. Loefhoek van de spinnaker → 2. via het buitenste boomeind → 3. bras naar het achterschip. Bovenaanzicht. De bras regelt de horizontale stand van de boom. Aan lij regelt de spinnakerschoot de andere zeilhoek; op kleine systemen wisselt dezelfde lijn van functie. boeg hek 1 2 3
1. Loefhoek van de spinnaker → 2. via het buitenste boomeind → 3. bras naar het achterschip. Bovenaanzicht.De bras regelt de horizontale stand van de boom. Aan lij regelt de spinnakerschoot de andere zeilhoek; op kleine systemen wisselt dezelfde lijn van functie.

Aansluiting en loop. Bij een symmetrische spinnaker draagt de loefzijde via de boom; op grotere systemen zijn bras en spinnakerschoot aparte lijnen. Op kleinere boten wisselt dezelfde lijn van functie.

Werking en effect. De bras regelt de voor-achterwaartse stand van de boom en de loefhoek van de spinnaker. De lijwaartse spinnakerschoot regelt de andere zeilhoek.

Aan boord. De fok in vlinderstand uitbomen is een andere opstelling. Gebruik niet zonder controle dezelfde brasvoering.

Spinnakerboomophouder en spinnakerboomneerhouder

Spinnakerboomophouder en spinnakerboomneerhouder: aansluiting en werking 1. Spinnakerboomophouder vanaf de mast → 2. boom of spruit → 3. spinnakerboomneerhouder naar dek (blauw). Van opzij gezien. De spinnakerboomophouder draagt de boom; de spinnakerboomneerhouder begrenst omhoogkomen. De spinnakerbras voor de horizontale stand is hier weggelaten. 1 2 3
1. Spinnakerboomophouder vanaf de mast → 2. boom of spruit → 3. spinnakerboomneerhouder naar dek (blauw).Van opzij gezien. De spinnakerboomophouder draagt de boom; de spinnakerboomneerhouder begrenst omhoogkomen. De spinnakerbras voor de horizontale stand is hier weggelaten.

Aansluiting en loop. Spinnakerboomophouder vanaf een hoger mastpunt naar de boom; spinnakerboomneerhouder vanaf de boom naar passend dekbeslag of een geleiding.

Werking en effect. De spinnakerboomophouder draagt de boom; de spinnakerboomneerhouder begrenst opwippen. Samen bepalen ze de boomhoogte, naast de spinnakerbras die de horizontale stand regelt.

Aan boord. Geen van deze lijnen dient om de giek te dragen. Laat niemand onder of in de bewegingsruimte van de boom staan.

Halshoeklijn · tack line (gennaker)

Halshoeklijn · tack line (gennaker): aansluiting en werking 1. Halshoek van de gennaker → 2. boeg- of boegsprietblok → 3. halshoeklijn naar de bediening. Aanhalen brengt de halshoek lager. Het zeil en de eventuele roller bepalen hoeveel vieren is toegestaan. boeg kuip 1 2 3
1. Halshoek van de gennaker → 2. boeg- of boegsprietblok → 3. halshoeklijn naar de bediening.Aanhalen brengt de halshoek lager. Het zeil en de eventuele roller bepalen hoeveel vieren is toegestaan.

Aansluiting en loop. Van de onderste voorste zeilhoek via boeg- of boegsprietbeslag naar de bediening.

Werking en effect. Regelt de hoogte en positie van de halshoek. Meer of minder spanning verandert zeilvorm en bewegingsruimte.

Aan boord. De toegestane hoogte en belasting verschillen per zeil en eventuele roller. Niet onverwacht volledig lossen.

Strijkslurflijn / snufferlijn (spinnaker of gennaker)

Strijkslurflijn / snufferlijn (spinnaker of gennaker): aansluiting en werking 1. Mond van de slurf → 2. keerpunt bovenaan → 3. bedieningslus. Voorbeeld van het bedieningsprincipe. De ene tak trekt de mond omhoog; de andere trekt hem omlaag over het ontlaste zeil. De spinnakerval of gennakerval om het hele zeil te hijsen is niet getekend. 1 2 3
1. Mond van de slurf → 2. keerpunt bovenaan → 3. bedieningslus. Voorbeeld van het bedieningsprincipe.De ene tak trekt de mond omhoog; de andere trekt hem omlaag over het ontlaste zeil. De spinnakerval of gennakerval om het hele zeil te hijsen is niet getekend.

Aansluiting en loop. Een bedieningslus loopt langs de strijkslurf, via het keerpunt bovenaan, naar de mond van de slurf.

Werking en effect. Trekken aan de ene zijde schuift de slurf omhoog en maakt het zeil vrij. De andere zijde trekt de slurf omlaag om het doek bijeen te nemen; daarna kan de spinnakerval of gennakerval worden gevierd.

Aan boord. Ontlast het zeil vóór je de slurf omlaag trekt. Houd beide delen van de bedieningslus vrij van spinnakerschoten of gennakerschoten en verstaging.

Spinnakertweakers / barberhaulers

Spinnakertweakers / barberhaulers: aansluiting en werking 1. Ring of blok om de spinnakerschoot (blauw) → 2. dekblok → 3. tweakerlijn (oranje). Aanhalen trekt het geleidepunt omlaag en verandert de trekrichting op de zeilhoek. De andere zijde heeft meestal een eigen tweaker. 1 2 3
1. Ring of blok om de spinnakerschoot (blauw) → 2. dekblok → 3. tweakerlijn (oranje).Aanhalen trekt het geleidepunt omlaag en verandert de trekrichting op de zeilhoek. De andere zijde heeft meestal een eigen tweaker.

Aansluiting en loop. Aan elke zijde loopt de spinnakerschoot door een ring of blok. Een aparte lijn trekt die ring naar een daarvoor bedoeld dekblok.

Werking en effect. Aanhalen trekt het geleidepunt omlaag en verandert de trekrichting op de zeilhoek. Dit kan de spinnaker rustiger laten staan; vieren geeft meer bewegingsruimte.

Aan boord. De benodigde stand verschilt aan loef en lij en tijdens een gijp. Trek niet beide zijden zonder reden strak; gebruik de afgesproken instelling van het spinnakersysteem.

De indeling naar aanwezigheid is een praktische oriëntatie voor een kajuitzeiljacht, geen telling van alle boten. Aanvullende naslag: Seldén · spinnakerboom, ophouder en neerhouder. De schema’s zijn vereenvoudigde eigen illustraties.

Naslag voor de beschreven systemen: Seldén · tuigage en bediening, Seldén · rolmast en lijnvoering, UK Sailmakers · cunningham en UK Sailmakers · spinnakerbediening. Geraadpleegd 7 september 2026. De aansluitingen hierboven beschrijven gangbare uitvoeringen; gebruik voor het daadwerkelijk inscheren de handleiding van het aanwezige systeem.

Voor vastmaken en lijnbehandeling: 4.1 Lijnen en knopen gebruiken.